Alfons - 18/01/2026


En plots is- na het heengaan van mijn moeder-ook mijn vader niet meer in dit huis. Al is dat 'plots' wellicht wat overdreven, ik had het moeten zien aankomen. Als je op je negentigste begint te kraken en te kreunen voorspelt dat meestal weinig goeds.
"Hij gaat echt wel achteruit," kreeg ik regelmatig al te horen van de dames van de thuiszorg.
"Maar gezien zijn flamboyante levensstijl stelt hij het nog uitzonderlijk goed," zei dan weer de huisarts. En dan moesten wij toch weer even grinniken om dit medisch wonder.
"Misschien toch eens een woonzorgcentrum overwegen, al was het maar voor een korte tijd, geef jezelf ook eens wat ademruimte," werd voorzichtig geopperd door mensen die het konden weten.
Want hij blééf maar vallen, te pas en te onpas. Van zijn stoel, uit zijn bed, naast zijn rollator, tegen een kast. Dan zag hij bont en blauw en moest er weer speciale verzorging geregeld worden voor de schaafwonden, zijn fragiele vel werd soms met hele flarden weggeschuurd. En werkelijk alles werd stilaan een opgave: een boterham smeren, een boekje lezen, zijn hemd dicht knopen. Dus deed hij steeds minder, bleef liefst ook hele dagen in zijn bed liggen en meende te kunnen overleven op die paar speculaasjes die hij nog lusteloos sopte in een kopje thee. Terwijl ik dan weer constant in de weer was met soepjes en busjes Fortimel in zeven verschillende smaken, alles om er toch maar wat calorieën in te krijgen. Desnoods had ik hem aan een infuus met bonensoep gehangen.
Maar het mocht allemaal niet baten.
En eigenlijk was iedereen het erover eens dat dit zo niet langer kon, behalve dan de twee hoofdrolspelers in dit verhaal: hij en ik. Want mijn vader bleef stug negeren dat lijf en leden het stilaan lieten afweten en wou absoluut niet weg uit huis, laat staan nog verder betutteld worden ergens in een steriele omgeving. En ik bleef dan weer koppig hopen op beterschap. Al was ik stilaan ook zelf wel toe aan een kortverblijf, ik trok het nog amper, alsof er een strakgespannen veer door mijn ruggengraat liep. Want van een oude vader oprapen gaat je rug best zeer doen, maar vooral ook van de schrik die je telkens om het hart slaat, bij elk verdacht plofje dat je hoort: hoe ga ik hem dit keer aantreffen?
Na het zoveelste bloedonderzoek achtte toch ook de huisarts het raadzaam dat er wat verdere onderzoeken werden gedaan en liet hij mijn vader voor een paar dagen opnemen in het ziekenhuis. Opeens bleek het zelfs dringend te zijn en de opname moest via Spoed, want op de afdeling Geriatrie was- naar goede gewoonte- geen bed meer vrij. Er kwam een ambulance aan te pas en nog nét geen loeiende sirenes. En confronterende vragen aan mijn adres tijdens die eerste vluchtige onderzoeken: waarom was mijn vader zo magertjes en hoe kwam hij aan al die bloeduitstortingen op armen en benen? Vragen die natuurlijk moeten gesteld worden, oudermishandeling komt helaas wel meer voor. Maar ik had wel kunnen janken, had met plezier foto's van mijn eigen rug laten nemen. Of een scan van mijn vertwijfelde hoofd.
Maar wat mij nog het meest verbaasde: mijn vader liet zich gewillig opnemen. Wekenlang liet hij mij en de thuisverpleging in niet mis te verstane woorden weten dat hij gewoon weg wou glijden uit dit leven, geruisloos en thuis in zijn vertrouwde bed, zonder slangetjes en medische rommel aan zijn lijf. En nu wou hij opeens zo snel mogelijk aan een levensreddend infuus. Als je leven letterlijk aan draadjes hangt durft een weloverwogen besluit blijkbaar nog wel eens te kantelen.
Die paar dagen aan een infuus werden trouwens al snel een paar weken. En inderdaad: met enkel nog zicht op een toekomst in een woonzorgcentrum.
"Meneer kan niet meer naar huis," aldus de geriater van dienst, "meneer heeft constante en aangepaste medische zorg nodig."
"En hoe mogen we meneer in de dagelijkse omgang noemen," vroeg de vriendelijke verpleegster naast haar, "Fons? Of misschien wel Fonske?
"Alfons," antwoordde mijn vader plechtig, "zo staat het op mijn paspoort." Meneer mag dan wel klein en broos en breekbaar geworden zijn, des te dwingender claimt hij dan toch weer zijn laatste restje waardigheid.
En zo dwaal ik 's avonds opnieuw wat verloren door mijn ouderlijke huis, waar vijftien jaar geleden- na een grondige verbouwing- het avontuur van onze kangoeroewoning begon. Mijn ouders kregen hun woonst op de benedenverdieping en ik palmde de bovenste etage in. Samen onder één dak, maar toch apart. Maar, als het erop aan kwam, altijd met de nodige zorg voor elkaar. Jaren van gedeeld lief en leed, jaren met hoogtes en laagtes, letterlijk zelfs, ik kan intussen traplopen als de beste, mét catering indien gewenst.
Jaren ook van ingesleten rituelen. Ik besef het pas als ik de blaadjes van de scheurkalender scheur, de datum loopt al twee weken achter. Sinds jaar en dag deed mijn vader dat elke morgen en dan legde hij het blaadje- van -de -dag klaar voor mij, op de keukentafel. En als ik dan 's avonds, na het werk, nog even op het gelijkvloers binnenwipte moest ik steevast dat mopje op de achterkant lezen. Mijn verplichte dagelijkse lectuur. En dan lachten we samen, om de zoveelste flauwe mop, om zoveel banaliteit soms. "Een goei, eh!" logen we ook af en toe.
Maar niets blijft eeuwig duren en dingen veranderen, of we dat nu willen of niet.
Zelfs Den Druivelaar brengt nu een heel ander gevoel. Noem het weemoed.


Reageer via    






Vanaf nu - 18/02/2026

"En vanaf nu: volop genieten!" werd mij op het hart gedrukt, die laatste werkdag voor mijn pensioen. Het waren de laatste uurtjes op de mij zo vertrouwde werkvloer, de klok neigde stilaan naar vijf uur en het ging me net iets te snel. Want hoe neem je afscheid van een wereld die je paste als een handschoen? Geen idee. Maar uiteindelijk stelde ik, op vriendelijk verzoek, dan toch gewoon mijn "out of office" in. En dit keer zonder einddatum.
Vervolgens werd ik - en ik overdrijf niet! - bijzonder feestelijk uitgezwaaid. Totaal onverwacht nog omringd door een heleboel mensen die me zo lief waren en die speciaal voor mij kwamen afzakken uit alle windrichtingen, zomaar op een doordeweekse avond. Er was ook absoluut niet zuinig gedaan over de voorziene catering, het werd smullen van hippe hapjes en nippen aan champagne en voor mij waren er lekkere mocktails. En ook nog een pakkende speech vanwege de directie. Met als vermeldenswaardig besluit: dat ik vooral zou herinnerd worden als een discrete en stille- ja, u leest dit goed! Stille! -collega. Er fronsten wel een paar wenkbrauwen toen dat zo luidop werd uitgesproken, maar ik kreeg de handgeschreven tekst mee naar huis, dus ik heb dat statement nu ook zwart op wit.
Ik kwam die avond thuis met een auto tjokvol kaartjes en bloemen en ballonnen en pralines en cadeautjes en een hart dat nog lichtjes na kreunde van zoveel sentiment. Een beetje afgepeigerd zelfs, door al die emoties, en dan toch niet kunnen slapen. Maar hoe dan ook helemaal klaar om aan het grote genieten te beginnen.
We zijn intussen bijna vier weken verder en eigenlijk heb ik er nog niet zoveel van gebakken. Dat genieten met de grote G blijft komt maar langzaam op gang. Meestal zit ik maar wat te lanterfanten en dingen uit te stellen. Was, strijk? Goh, dat kan straks of morgen ook nog…Of net het omgekeerde, dan sta ik 's ochtends alvast aardappelen te schillen voor het avondmaal. Al die huishoudelijke klussen die ik een carrière lang bij wijze van spreken afhaspelde tussen de soep en de patatten, achteloos en volgens een strikt schema, en nu moet ik er een half etmaal mee volboeken. Geen druk, geen haast en tot nader order ook geen dringender zaken te doen. Het zijn dagen zonder tijdsblokken. Van heel veel lummelen en me afvragen of er straks misschien nog een herhaling loopt van Witse. Maar goed, ik zit tenslotte nog in de beginnersfase.
"Zolang je maar niet op zaterdag naar de supermarkt gaat," zegt de dochter, "dan hebben we al genoeg wachtrijen aan de kassa." Het wordt me weliswaar niet strikt verboden, maar in elk geval ook niet aangeraden.
Maar uiteraard beland ik al meteen op de eerstvolgende zaterdag in de Colruyt, puur uit gewoonte en omdat de muizen in mijn koelkast nu eenmaal al op vrijdagavond een gewisse dood in de ogen zien. Al neem ik dit keer bewust de tijd om te winkelen, niet haastig achter een karretje aan, maar kalm en met aandacht voor mogelijks interessante promoties, een mens moet érgens beginnen. Méér zelfs, ik kom een oude bekende tegen, eveneens sinds kort pensioengerechtigd, en we babbelen schaamteloos een half uur weg in de koelruimte, tussen appels en appelsienen, tijd genoeg. En hoezo, wij blokkeren de doorgang?
"Nog even en je betaalt ook met rosse muntjes aan de kassa," zegt de dochter.
Het is wel duidelijk, ik moet een nieuw ritme zien te vinden. En dingen om te doen. Want ondanks dat compleet gebrek aan ook maar enige verplichting ken ik niet echt rust in mijn hoofd. Het voelt alsof ik constant aan het spijbelen ben en elk moment kan betrapt worden. Ik ben het blijkbaar compleet verleerd om ook eens gewoon niks te doen. Of op z'n minst iets dat niet meteen winstgevend lijkt. Al weet ik maar al te goed waar die drang naar rentabiliteit vandaan komt, ik stam tenslotte uit de tijd dat je op je maandelijkse schoolrapportje nog punten kreeg voor orde& vlijt. Koppel daar vervolgens een loopbaan aan vast die voornamelijk gericht was op bedrijfsgroei en je krijgt mij als rigide eindproduct. Tijd voor een andere aanpak dus.
Vermits ik zelf niet zo gek veel wijsheid in pacht heb zoek ik wat soelaas in de bibliotheek. Ik leen- na alweer een vol uur rondslenteren, ik ben echt van goede wil- een boek met maar liefst 200 tips om actief te blijven en te genieten van je pensioen. Tweehonderd! Daar zit vast wel iets zinnigs tussen. Al staan er toch wel rare dingen bij, je kunt het zo gek niet bedenken of mensen vullen er blijkbaar hun dagen mee. Tip 51 bijvoorbeeld: kalligrafie. Of tip 118: leer composteren. Als ik die avond de inhoudstafel wat lacherig overloop met de dochter vallen we nog net niet blauw achterover. Vooral bij Tip 54: zing. Wie mij ooit hoorde zingen weet waarom.
Maar Tip 63 is misschien wel een optie: schrijf een boek. Ooit nog gedaan en ergens tussen mijn word documenten zweeft zelfs een script dat enkel nog om wat bijschaving vraagt, het ruwste traliewerk is af. Tenminste, dat dacht ik. Want als ik die avond mijn schrijfsels nog eens in vogelvlucht doorneem blijkt er toch veel marge voor verbetering te zijn. Ik had er bijna Tip 201 kunnen van kunnen maken: pruts eens wat met woorden…
Het goede nieuws is dan weer wel: ik héb nu alle tijd én ik mag ook gewoon eindeloos veel prutsen. Dat staat trouwens ook in dat wegwijsboek, genieten blijft de voornaamste boodschap en niemand verwacht in dit stadium blijkbaar nog perfectie. En de Libris Literatuur Prijs was hoe dan ook voor iemand anders bestemd. Dus ik begin meteen aan een nieuw hoofdstuk, ik herlees en herschrijf, schrap en schaaf bij en fantaseer me moeiteloos in een andere wereld.
"Wel nog een beetje op aarde blijven," zegt de dochter.
Want fantasie en chaos gaan bij mij blijkbaar hand in hand. Ik vergeet nog méér uur en tijd en zit soms tot 's middags in mijn pyjama achter mijn laptop, gezellig prutsend dus met woordjes. Of ik ga mijn vader in het woonzorgcentrum bezoeken en zie daar opeens dat de afstandsbediening van TV in mijn handtas steekt, mijn gsm ligt gewoon nog thuis. Geen drama natuurlijk, maar het zegt veel over mijn aandachtsspanne.
Maar al bij al, heel, heel voorzichtig begin ik dan toch een beetje te genieten. Van dat lummelen en dat prutsen. Van zeer secuur de was ophangen. Van eigenhandig balletjes rollen voor de soep. Van eens met aandacht naar mijn vergrijsde tuin kijken en plots, tussen al wat doods oogt, toch een paar krokusjes zien ontluiken. Dat leven in slow motion kan nu gewoon, er is geen deadline en er zijn geen targets meer te behalen, dus ik laat het maar een beetje op me afkomen.
En ik krijg sowieso niet langer punten voor orde &vlijt. Misschien binnenkort wel opnieuw voor Nederlands, maar dat zien we dan wel weer.



Reageer via    


Designed by BootstrapMade - Edited by MT