Afscheid - 01/01/2022

Er stond diezelfde week ook nog een afscheidsdineetje op de planning. Alsof John Lennon me nog niet stevig genoeg bij het nekvel had gegrepen, te midden van al dat kerstgewoel. Maar nee, we moesten ook nog een collega uitzwaaien die, zij het na lang twijfelen, uiteindelijk toch had gekozen voor wat dan heet een nieuwe uitdaging. Al gooide corona nog maar eens roet in dat eten, want één van de genodigden moest plots in quarantaine. En omdat wij nooit voor half werk gaan, 't is bij ons van samen uit en samen thuis, stelden we het echte feestje even uit. In afwachting gingen we alvast voor een bescheiden hapje en drankje op kantoor, na de werkuren. En wie alsnog positief testte mocht dan digitaal deelnemen, indien gewenst werden bubbels aan huis geleverd. Zelfs gezellig borrelen leerden wij intussen feilloos online afhandelen.
Iets voor zessen herschikten we links en rechts wat meubilair tot een geïmproviseerde feesttafel en kon er met Cava, Bellini en vooral gemengde gevoelens geklonken worden, want dit vertrek was zonder twijfel één van de hardere noten om te kraken. Dus voor mij was- als vanzelfsprekend, ze kennen mij- een litertje Spa bruis voorzien, ik kan maar beter op mijn hoede zijn voor dronken sentiment. Want afscheid nemen, ik ben daar gewoon niet goed in, nooit, nergens en van wie dan ook. Voor ik het weet schroeft mijn keel dicht en krijg ik de emoties nog amper weggeslikt. Voer mij dan nog een theelepel alcohol en ik snotter probleemloos een vijver van gemiddeld debiet bijeen.
Je zou toch denken dat ik intussen voldoende gepokt en gemazeld was. Want ik zag al behoorlijk wat mensen komen en gaan, zeker in de werkkringen, zelf was ik trouwens ook niet altijd even honkvast. Maar hoofdstukken afsluiten, ik blijf het moeilijk vinden, ik kan daar onwaarschijnlijk droevig van worden. En blijkbaar bestaat er nog steeds geen vaccin tegen verdriet. Misschien moeten ze daar bij Pfizer toch ook eens over nadenken.
Intussen troost ik me met de gedachte dat al die stoelendansen dan weer geleid hebben tot schitterende ontmoetingen. Natuurlijk zaten daar gezichten bij die gaandeweg vervaagden, maar er waren even goed de klasbakken die ik nooit of nooit nog zal vergeten. Ik lach daar wel eens mee: dat ik bij geboorte een extra muurtje meekreeg in de linkerhartkamer, en daar staan al die memorabele namen levenslang in gebeiteld. Die laatste staat er intussen trouwens ook bij, behoorlijk diep gekerfd zelfs.
Er waren ook collega's waarvan ik amper afscheid kon of wou nemen. De zielsgenoten. Meestal ook de rechterhanden van deze wereld. Die ene collega waarvan je wel eens denkt: als die ooit vertrekt, dan red ik het niet meer. Ik herinner me nog haarfijn zo'n hartverscheurend moment, zij en ik werkten nog zij aan zij tot het laatste uur, op ons vertrouwde ritme. En toen heb ik haar, plompverloren en niet wetend hoe dit verder nog enigszins beschaafd af te handelen, nog een mailtje gestuurd:
'Ik zal je nooit genoeg kunnen bedanken. Maar ik vraag je nog iets, een laatste keer: loop straks lachend naar buiten, alsof het een gewone vrijdag is, en kijk alsjeblieft niet meer om.'
Ze knikte stilletjes van ja, ze begreep het als geen andere. Onderweg naar huis stuurde ze nog een sms je: 'Dank je wel voor alles, we zien mekaar nog.'
We hadden altijd al genoeg gehad aan één blik. En die laatste zwaai moesten we echt even uitstellen tot we allebei weer min of meer vertrouwd waren met het volgend deel van dit verhaal. Dat is ook gelukt, niet enkel met haar, ook die andere namen van mijn muurtje kruisen nog regelmatig in levenden lijve mijn pad. Dikwijls totaal onverwacht, maar soms spreken we ook af en lachen ons nog eens een avondje in de vernieling, om zoveel anekdotes, om zoveel gedeeld lief en leed. En stellen we vast dat alles toch meestal weer goed of zelfs beter wordt. In die zin zou Borsato wel eens gelijk kunnen hebben: afscheid nemen bestaat niet. Vroeg of laat kom je mekaar weer ergens tegen, alsof het lieve leven dat zelf zo voor je regelt.
Pijnlijker zijn dan weer de knopen die je helemaal zelf en definitief moet doorhakken. Bewust afscheid nemen, weloverwogen en met de bedoeling om daar maar best een onomkeerbare beslissing van te maken. Van mensen die je aandacht niet langer verdienen. De redenen zijn legio, we kennen allemaal wel iemand die het echt niet goed met ons voorhad of, erger nog, één van onze geliefden bewust onrecht aandeed. En dan moet je vroeg of laat de deur op slot doen, voor de dingen echt uit de hand gaan lopen. Ik ken karakters die daar weinig moeite mee hebben en heel kordaat durven te zeggen: hier stopt het, afgesloten hoofdstuk. Sterke mensen die nooit meer omkijken. Maar ik hoor daar niet bij, het blijft bij halfslachtige pogingen en ik blijf nog maandenlang woelen en dazen in m'n slaap en me twijfelend afvragen of ik die deur toch niet beter op een kier zou laten. Het overkomt me ook nu nog eens, zomaar op het einde van dit toch al bewogen jaar.
Maar misschien zal ook hier de tijd het uitwijzen.
Dus laat ik alvast 2021 afsluiten. En dan kijken wat het nieuwe jaar brengt. Wie weet zijn er wel een paar wijze antwoorden bij.


Reageer via    






Internationale wateren - 07/01/2022

Voor mij zit een man die me enthousiast zijn toekomstplannen ontvouwt. Zodra zijn kinderen op eigen benen staan- een kwestie van hooguit nog een vijftal jaren ouderlijk gezag, schat hij- wil hij zich begeven naar internationale wateren, bij voorkeur in de buurt van Costa Rica, want daar schijnt de zon en daar is iedereen altijd goed gezind. Intussen spaart hij voor een tweemaster, een tweedehands exemplaar, want die dingen zijn natuurlijk duur. Maar op wateren, ook al zijn ze dan internationaal, heb je nu eenmaal een boot nodig. En met goedkoop rubber kom je niet ver.
"Maar verder ben je daar helemaal van god los," zegt hij, "je hebt zelfs geen paspoort nodig want je hoort nergens bij. Geen nationaliteit, geen geplastificeerde identiteit, geen stemplicht. Eten, drinken, slapen en wat in het rond dobberen, meer moet je niet."
Intussen wil hij dat ik tijdelijke jobs voor hem zoek, met het oog op de aankoop van die prijzige tweemaster dus.
Het is niet de eerste keer dat ik zo'n vraag krijg, er passeerden in de loop der jaren wel meer avontuurlijke zielen aan mijn bureau. Mensen die het geluk zagen in een drastische ommezwaai en verbeten werkten en spaarden voor een droom, ergens ver van hier.
Zo heb ik - dat was nog in het predigitale tijdperk- met regelmaat ansichtkaartjes in de bus gekregen van een jongeman die het stoere plan had opgevat op elk continent een berg te gaan beklimmen, liefst van die hele hoge. Een droom waar hij veel voor over had: een voltijdse job door de week, en dan nog wat extra schnabbels voor en na en tijdens weekends en op vakantiedagen. Het werd een ingewikkelde puzzel van uitzendcontracten, waar we ons af en toe samen over bogen, we noteerden zijn variabele uurroosters zorgvuldig op een grote, kartonnen kalender. En terwijl vertelde hij me wat hij hoopte hiervoor in retour te krijgen: ongekende vrijheid, spannende avonturen en ja, vast ook wel eens heimwee naar huis. Ik fantaseerde stiekem altijd een beetje met hem mee, goed wetende dat ik nooit het lef zou hebben om met zoveel vrijheid om te gaan, en al heel zeker niet bungelend aan een klimtouw tegen een steile bergwand aan. Maar toch, het bracht ons vaak tot wat filosoferen over zin en onzin van dit bestaan. Inspirerende gesprekken, zeg maar. Tot hij dan op een mooie dag eindelijk kon vertrekken, die hemelhoge bestemmingen tegemoet. Hij kwam me nog welgemeend en met een doosje pralines bedanken voor de strak uitgekiende werkroosters en ik zwaaide hem op mijn beurt dan weer een tikkeltje te weemoedig uit. Het waren dan wel niet mijn dromen die meereisden in zijn rugzak, maar ik zou ze wel een beetje missen.
Het eerste kaartje dat hij stuurde kwam uit het verre Alaska. Een foto van Mount McKinley, de grillige contouren schemerig leunend tegen een ondergaande zon.
'Nailed it', schreef hij, kort en bondig.
Al zijn volgende boodschappen bleven even beknopt: 'Machtig', ' Amazing', 'You should see this'. Nooit verdere toelichting over eten of logies, wat destijds toch zeer gebruikelijk was op kaartjes die van verre kwamen. ' Schoon hotel en het eten is hier goed' stond er dan op de achterkant. En 'We brengen de zon mee.'
Ergens in een Aziatische bergketen ben ik zijn spoor kwijt geraakt. Ik veranderde van werk en thuisadres, en hij zat vermoedelijk alweer op een volgende besneeuwde top. Dan ploft een kaartje wel eens in de foute brievenbus.
Maar vandaag luister ik naar een andere stoere man. En die wil naar internationale wateren. Of ik daar dan nooit van droom, vraagt hij, van varen op ongekende baren?
Nee, eigenlijk niet. Ik ben wel eens gaan zeilen ter hoogte van de Waddeneilanden, maar met een ervaren team aan boord, met mij aan het roer was dat nooit goed gekomen. Als ik me goed herinner heb ik toen ook niet veel meer gedaan dan, onder schor commando van zo'n stoppelbaardige zeebonk, af en toe aan een touw getrokken. En ik dineerde eens heel sjiek aan boord van een statige schuit op de Theems. En later was er ook nog een spetterende party op de Schelde. Daar werd ik, wiebelend op hoge hakken, vakkundig over de loopbrug geholpen door twee leden van de goddank meer standvastige crew. Er waren ook nog wat korte boottochtjes, stijl toeristisch uitstapje in een Spaanse baai, maar of ik ook nog woeste oceanen over wil? Nee dus. Het spreekt me niet echt aan. Bovendien ben ik een zeer matige zwemmer.
"Ik heb toch liefst vaste grond onder mijn voeten," zeg ik, "en als het echt moet kies ik eerder voor territoriale wateren. Met een veilige haven in de buurt. Genre cruise naar Noorse Fjorden. Met een beetje geluk geraak ik daar nog aan wal als het schip zinkt."
"Je mist wat," zegt hij, "maar ik zal je af en toe een kaartje sturen."
Hij zet me wel aan het denken. Want er was een tijd dat ik misschien wel blindelings mee op de boot zou gesprongen zijn. Terwijl ik nu een spontaan autotripje naar de dichtstbijzijnde welvaartstaat al spannend vind. Als je zo 's morgens nog niet weet waar je 's avonds zal slapen. Of rond de middag op zoek moet naar iets eetbaars. Een volstrekt risicoloze onderneming trouwens, in zo'n buurland als Frankrijk ligt meer Camembert in de winkelrekken dan hier.
Ik vraag me af sinds wanneer ik me zo snel op woelig water waan? En vanwaar opeens die hang naar het veilige, vertrouwde?
Misschien word je wel zo weekjes als je al heel lang gepamperd werd in een land met een indrukwekkend vangnet aan sociale zekerheden. Een land met betaalbare sportfaciliteiten en een ziekenfonds om elke hoek. Een land waar wel wat gesjoemeld en gesjacherd en gekibbeld wordt, maar waar je niet op dagelijkse basis bang moeten zijn voor dodelijk geschut of een mogelijke hongerdood. Een land waar een dag al verknoeid mag zijn als 's morgens de koffiemachine lekt.
Of misschien is het wel zo dat je, naarmate je ouder wordt, de kleinere dingen steeds meer gaat waarderen. Dat het allemaal niet zo wild en zo hoog en zo ver meer moet zijn. Dat je 's avonds liever ergens slapen gaat waar vrienden en familie overvloedig bereikbaar blijven.
Of misschien word ik dan toch bijna geruisloos een flauw, saai vrouwtje.
Gelukkig zijn er nog ansichtkaartjes. Krijg ik binnenkort misschien toch nog af en toe een snuifje Costa Rica in de bus.



Reageer via    






Verstomming - 15/01/2022

Bij mij hadden die verontrustende prikjes dikwijls te maken met mijn ouders. Ik zag ze van zeer nabij evolueren van krasse zeventigers naar weliswaar krakende tachtigers, maar toch allebei nog even gretig wenkend naar de zonnige kant van dit leven.
"Dat zijn twee eiken bomen, die houden stevig stand," zei ik wel eens lachend, als naar hun welzijn werd gevraagd.
En als ik me dan, op een onbewaakt moment, toch eens durfde afvragen hoe het zou voelen in geval van het tegendeel, verdrong ik die gedachte maar al te graag. Volgens mij valt op zorgen en verdriet hoe dan ook weinig op voorhand te repeteren.
Maar opeens, op zo'n gemoedelijke, doordeweekse avond, ik heb net een patatje geschild, kondigt dat onheil zich dan toch botweg aan. Ik hoor een doffe klap op de benedenverdieping en daarna de versleten stem van mijn vader: Mie, er is iets met je moeder.
Mama is gevallen. Ze ligt kleintjes en gekromd op de vloer, mijn vader staat er bezorgd en onbeholpen langs, zijn knieën weigeren al een tijdje dienst, even troostend bij haar knielen lukt niet meer. Ik besef ook meteen dat louter troost en een verzachtend kussentje onder haar hoofd hier niet volstaan, maar dat medische hulp vereist is, en liefst snel. In al mijn verwarring bel ik eerst met de huisdokter, om dom te vragen naar het nummer van de hulpdiensten. 100, 101, 112…ik weet het echt niet meer. Alsof mijn hersenen volledig dienst weigeren. Pijn zien lijden verlamt mij blijkbaar, en nog geen klein beetje.
Gevoelsmatig lijkt het uren te duren voor de ambulance arriveert, maar in werkelijkheid is die er natuurlijk heel snel, een kwestie van een kwartiertje. Ik graai intussen al naar jas en tas en de nodige documenten om mee te nemen, ik wil de ziekenwagen volgen, maar dat wordt me resoluut afgeraden. Alleen mijn moeder mag mee, samen met haar identiteitskaart. Mij wordt de toegang tot het ziekenhuis kordaat geweigerd. Binnen een uurtje mag ik bellen met de Spoeddienst. Coronaregels, alweer. Begrijpelijk dus en absoluut in het belang van iedereen. Tenminste, zo denk ik er anders toch over. Maar nu ben ik met verstomming geslagen. De gedachte dat zo'n gekreukt mensje, bijna 89 is ze nu, met loeiende sirenes wordt afgevoerd, moederziel alleen. Niemand die straks haar hand vast houdt. Niemand die haar even kan bijstaan, al was het maar om iets te vertalen van al dat medisch vakjargon dat waarschijnlijk boven haar verwarde hoofd zal worden getorpedeerd.
"Zorg goed voor haar!" roep ik nog onnozel, buiten op de stoep. Mijn vader staat naast me, trillend op zijn benen.
Mijn verstomming neemt nog toe. Eerst wordt me gezegd dat na vijf dagen opname beperkt bezoek wordt toegelaten, maar die belofte wordt twee dagen later dan toch weer ingetrokken, bezoek is dezer dagen totaal niet aan de orde.
"Dat mag enkel op palliatieve," wordt me verduidelijkt. En voor zover ik weet is mijn moeder intussen gewoon 'stabiel': net uit narcose van een operatie aan de gehavende heup, er is nog een tweede ingreep aan de complexe breuk in de schouder in 't verschiet en haar rug was sowieso al volledig ingedeukt. En o ja, ze krijgt nu nog wat extra zuurstof toegediend, ze ademt wat moeilijk. Je zou voor minder.
"Zeg haar dan dat we aan haar denken," schreeuw ik bijna door de telefoon, "en dat iedereen vraagt hoe het met haar gaat en zeg haar dat we haar graag zien!"
Een volledig register aan banale clichés trek ik open. En bij mijn wekelijkse boodschappen even later gooi ik nog snel een wenskaartje in de kar, dat kan ik misschien voor haar afgeven bij het onthaal, als ik morgen propere pyjama's ga afleveren.
'Een piepklein berichtje' staat vooraan gedrukt op dat kaartje. Veel meer weet ik nu trouwens niet te verzinnen. Ik kan nu even niet goochelen met woorden. Pijn zien lijden verlamt. En niet kunnen troosten verstomt. Reageer via    






De halve trouwboek - 22/01/2022

Meestal kent een verhaal twee kanten. Ook nu weer. Mijn moeder kreeg opeens-en tegen wil en dank- de hoofdrol in een steriel medisch decor, mijn vader speelt intussen een niet te onderschatten bijrol in de schaduw van de coulissen. Ze werden beiden gecast voor hetzelfde, aangrijpende scenario, maar acteren elk op een andere locatie. Moeder meer dan dapper in het ziekenhuis, vader lichtjes ontwricht op het thuisfront.
Bij het parcours dat mijn moeder aflegt kan ik me wel één en ander voorstellen, al heb ik het tot op vandaag alleen maar van horen zeggen, corona maakt fysiek bezoek nog steeds onmogelijk. Maar ik mag dagelijks telefoneren met de verpleging en af en toe mag ik iets gaan afgeven ter plaatste, liefst iets waar ze een beetje blij van wordt: een bloemetje, een kaartje, haar bril die ik domweg vergeten was. Ik ken de weg intussen: rode pijl volgen naar het tweede verdiep en dan aanbellen bij Dienst Inwendige. Daar gaat dan de zware, brandwerende deur voorzichtig op een kier en worden, samen met het wasgoed, gelijk ook wat nieuwtjes uitgewisseld met verplegend personeel: dat mama Virginie ondanks alles toch nog helder en behoorlijk optimistisch is en dat ze haar best doet om flink te eten. En omgekeerd stuur ik dan weer welgemeende groeten en dikke kussen van ons, verweesde achterblijvers, terug mee naar binnen.
Ook over haar medische toestand word ik op regelmatige basis geïnformeerd. De lijst van behandelende geneesheren die mij quasi dagelijks bellen wordt alsmaar langer: spoedarts, orthopedische chirurg, geriater, sinds gisteren buigt zich ook nog een neuroloog over haar dossier.
"En toch weten we niks," zegt mijn vader nukkig, "ze kunnen veel zeggen daar, maar ik kén mijnen halven trouwboek. Aan één blik heb ik genoeg."
Het welzijn van mijn vader speelt zich duidelijk af onder een andere regie en is moeilijker in te schatten. Want mijn vader is niet meteen een open boek en hij is een meester in het afwimpelen van rechtstreekse vragen. Het blijft dus een beetje gissen naar zijn ware gevoelens. Vooral over zijn eenzame dagen maak ik me zorgen. Want we eten nu wel elke avond samen, hij en ik, maar overdag ben ik gewoon op mijn werk, waar ik me voluit mag concentreren op triviale zaken zoals indexaanpassingen en de laatste richtlijnen inzake technische werkloosheid. Mijn dagen zijn nog steeds te kort en altijd volgeboekt. Heel anders dan de zijne.
"Ik red me wel," zegt hij, " en ge weet wat ze zeggen: zelfs al gaan de dagen langzaam, toch vliegt de tijd."
Dus laat ik hem maar zoveel mogelijk zaken zelf bestieren. Alleen over dat avondeten waak ik streng: we eten samen warm, hoe dan ook. Ik wil zeker zijn dat hij z'n dagelijkse portie vitamines binnenkrijgt. En als hij dan tergend traag de tafel dekt kijk ik discreet de andere kant uit. Hij staat er ook op om zelf de vaatwasmachine in te laden, ik doe dat veel te haastig en te slordig, zegt hij. Hij wil geen rommelbak in zijn keuken.
Vandaag heeft hij wél een kleine opdracht voor mij. Ik moet naar de Delhaize, hij heeft een boodschappenlijstje gemaakt, op hetzelfde ruitjespapier dat mijn moeder daar altijd voor gebruikt. In bibberend handschrift heeft hij alle ingrediënten voor pannenkoeken genoteerd. Hij gaat die straks ook zelf bakken, jawel, ons moeder eet dat graag en die ziekenhuiskost zal wel niet veel voorstellen.
Als ik die avond richting Inwendige rijd, nog eens snel onder het mom van de was en de plas, neem ik dus ook een pannenkoekje mee voor mijn moeder. Opgerold met wat bruine suiker, keurig in een Tupperware doosje, en daar plak ik nog een felgekleurde post-it op: gebakken door onze Fons.
"Zeg haar ook maar dat ons kleurig bezoek nog elke dag passeert," zegt mijn vader, "ze zal wel weten wie ik bedoel."
Ik heb geen idee wie hij bedoelt, maar mijn moeder blijkbaar wel. Na de uitwisseling van was&weetjes bij de brandwerende deur loopt de verpleegster nog eens op en af en vertelt me dat mijn moeder verrukt is over de pannenkoek. En ook dat ze heel blij is dat het roodborstje nog dagelijks een graantje komt meepikken in de tuin. Dat kleurig bezoek dus.
Vermoedelijk gaat dat wel zo, na een gezamenlijk parcours van meer dan zestig jaren. Dan heb je waarschijnlijk wel gecommuniceerd in alle toonaarden, maar evolueer je gaandeweg toch naar een gemeenschappelijke codetaal. Ik heb ooit- ik denk ergens in mijn eerste boek- heel betweterig m'n argwaan geformuleerd over romantische verbintenissen. Dat ik ten zeerste betwijfelde of mensen geschikt zijn om door het leven te gaan als twee kanten van één omelet.
Misschien moet ik m'n mening maar eens herzien. Want blijkbaar bestaan er toch halve trouwboeken die uiteindelijk zelfs samensmelten tot één, liefdevol geheel. Dwars door alle brandwerende deuren heen. Reageer via    






Klein vogeltje - 29/01/2022

Mijn moeder herstelt op bijna miraculeuze wijze, 't moet dan toch zijn dat ze daar iets van kennen, hier in Scherpenheuvel. Ze zal wel nooit meer over de haag springen, maar na amper twee weken wordt ze eervol ontslagen uit het ziekenhuis. Nog niet volledig rechtop, maar wel met een paar nieuwe, goed functionerende onderdelen in de linker heup en een strak ingepakte schouder waar, naar alle waarschijnlijkheid, ook vrij snel opnieuw beweging zal in komen. We zijn voorzichtig optimistisch, aldus de geriater van dienst.
"De vrouw is wel breekbaar, maar verder is die nog volledig in orde," zegt mijn vader, hij had niet anders verwacht.
Meteen naar huis komen is echter nog niet aan de orde, ze moet eerst nog revalideren in een daarvoor aangewezen zorgcentrum, eentje met de nodige faciliteiten. Ik maak voor het eerst kennis met de term 'kortherstel'. De tijdelijke opname wordt geregeld door de sociale dienst van het ziekenhuis en ik mag een afspraak maken om ook persoonlijk gang van zaken waar te nemen. Ik bel dus meteen met een volgende sociale dienst, die van dat zorgcentrum dus, waar 's anderendaags al een vriendelijk meisje meer dan voldoende tijd voor me maakt om alles grondig toe te lichten: welke zorgen mijn moeder zal krijgen, de bezoekuren, hoe dat zit met de maaltijden en, natuurlijk, de dagprijs en mogelijke tussenkomst van ziekenfonds en lokale diensten. Ik word geïnformeerd tot op twee cijfers na de komma. Omgekeerd mag ik ook aangeven wat dan weer belangrijk is voor mijn moeder, waar ze vooral rekening moeten mee houden.
"Ze babbelt graag," zeg ik, "en ze is nogal fier. Met kerst had ze de lippen nog gestift en vroeg ze of ze mijn blush even kon lenen." Toch iets om rekening mee te houden, vind ik, en mijn opmerkingen worden ook zonder verpinken als belangrijk genoteerd.
"We zullen haar elke dag mooi maken," zegt het meisje, "wij hebben hier een hart voor onze mensen."
Ik krijg ook nog een rondleiding. Ik mag de praktisch ingerichte kamers zien, de eetruimte, een zaaltje voor recreatie en gezamenlijke activiteiten, we lopen traag door brede gangen en stappen in liften van indrukwekkend formaat, helemaal voorzien op transport van het hier overvloedig aanwezig rollend materiaal: rolstoelen, rollators, bedden op wieltjes. Het geheel straalt ondanks alles toch een aangename, zelfs stijlvolle rust uit, de muren kregen vrolijke tinten, dit is geen vergane glorie in dof ecru. Maar toch moet ik even een klikje in m'n hoofd maken. Want hier verblijven natuurlijk voornamelijk hoogbejaarden en op één of andere manier lijkt mijn moeder daar nog niet bij te horen. Ik kan mijn mama nog niet plaatsen in een wereld van steunkousen en wezenloos knikkebollen, al is dat misschien wel eigen aan dochters die zelf ook eeuwig jong willen blijven. Maar dan zie ik plots een dametje, de beide benen gewikkeld in verband en steunend op een rekje, ze zit gezellig te breien bij het hoge raam in een zithoekje. Ze rikketikt vinnig met de breinaalden en tot mijn verbazing zie ik dat haar nageltjes gelakt zijn, in felrood zelfs. Een klein, gekwetst vogeltje met een perfecte manicure. Dat stelt me enigszins gerust, ze zullen dan vast ook wel wat blush in huis hebben hier. Een hart voor mensen schuilt soms in kleine dingen.
Wat in deze fase van het verhaal echt helemaal goed nieuws is: mama mag hier, uiteindelijk toch nog in desastreus besmettelijke tijden van corona, bezoek ontvangen! Na twee weken ziekenhuis zonder een vertrouwd gezicht bij haar bed, maar waar ze -o, ironie! - dan zelf uiteindelijk nog een week in isolatie lag omdat een andere patiënt op haar kamer besmet bleek te zijn- kijken we daar reikhalzend naar uit, langs beide kanten. Helaas, dit keer gooit Omicron nog snel wat roet in het eten. Ik raas al twee jaar lang, gemaskerd en me even onoverwinnelijk wanend als Batman himself, kerngezond van hot naar her en rakelings langs gevaarlijke zones, maar uitgerekend nu krijgt het virus me toch te pakken. Dat wordt dus een weekje quarantaine. Ik kan nog nét een koffertje met proper wasgoed en een vracht persoonlijke dingetjes bij de inkom van het rustoord afleveren, maar mijn moeder krijg ik niet meer te zien. Ik probeer nog een verre glimp van haar op te vangen van op de bezoekersparking, misschien zit ze wel ergens hoog achter een raam, maar dat blijkt ijdele hoop. De enige die van daarboven vriendelijk naar me zwaait is een meneer die ik niet ken.
Dus al wat nu weer volgt heb ik opnieuw van horen zeggen. Dat mijn moeder al voorzichtig kan steunen op haar been, dat ze veel lacht (en babbelt!) en dat ze zo trots is op het fotoboek dat de kleindochter nog snel in elkaar knutselde. Met foto's van het thuisfront en van al wie haar genegen is, ook de beestenboel van Schaffen. Fons The Pig wordt vanaf nu waarschijnlijk ook een begrip in afdeling De Sterre. En ik heb er nooit zo bij stil gestaan, maar ik stel vast dat er onnoemlijk veel mensen in beweging schieten, alleen al omwille van het welzijn van één moedertje: familie, vrienden, buren, collega's, de telefoontjes en berichtjes blijven komen, ik kom zelfs niet toe aan een dagelijkse update voor iedereen. En dan is er ook nog die gigantische zorgmachine: de dames van de sociale dienst, het verplegend personeel, de dokter, de kinésitherapeut, de ambulanciers, de mensen bij het ziekenfonds en dan ook nog die dame van het contact tracing center, die me, naar aanleiding van mijn positieve test, nog snel wat tips en richtlijnen meegaf in verband met contact met hoog risicopatiënten. Ik vergeet vast nog een paar betrokken partijen, ijverige mensen die dan weer in stilte hun ding doen op de achtergrond, maar feit is: ik mag iedereen zomaar bellen, te allen tijde, en het lijkt nooit te veel. Nooit een grom of een snauw of een zucht van ongeduld. Al die fluwelen, geruststellende stemmen. Zoveel mensen van goede wil, oprecht begaan met kleine, gekwetste vogeltjes. In een tijd als deze, waarin we klagen en zagen bijna tot een kunst hebben verheven, vind ik dat een hartverwarmende gedachte.
Ik bel 's avonds nog even met mijn moeder, ze hebben ervoor gezorgd dat ze zonder al te veel moeite bij het telefoontoestel kan komen. We babbelen wat over koetjes en kalfjes, maar dan sluit ze zelf af.
"Ik moet nog iemand vragen om me dat kaske van de televisie eens fatsoenlijk uit te leggen," zegt ze, "want ik wil straks naar het voetbal kijken."
Mijn moeder, de sportfanaat. Alles van het voetbal en de koers wil ze gezien hebben, als het allemaal wat trager mocht zou ze nog een waardige co-commentator kunnen zijn voor Aster in Extra Time.
Over dat knikkebollen moet ik me dus voorlopig nog geen zorgen maken, zo te horen. Reageer via    






Sandwich - 07/02/2022


2022 bracht al een paar pittige weken. Met wat zorgen en af en toe zelfs wakkere nachten, niet dat warme dekentje van geborgenheid dat ik had verwacht. En dan word ik straks ook alweer een jaar ouder, het is verdomme niet niks allemaal.
Dus ik spreek af, in feite naar jaarlijkse gewoonte, met een plezante jaargenote, eens horen wat zij intussen zoal achter de kiezen kreeg, gedeeld leed is half leed. Want het is natuurlijk louter toeval, maar als we het grote geheel bekijken, balanceren zij en ik al jaren min of meer parallel door het leven, haar verhaal is dikwijls ook het mijne. We vieren onze verjaardag ook graag samen, liefst met niet te veel vertoon, ook daarover delen we dezelfde mening: de nieuwe mijlpaal moet niet noodzakelijk nog luid van de daken geschreeuwd worden. Zij en ik schelen welgeteld twee weekjes, we regelen dus meestal een avondje lekker eten, ergens in februari. We zijn dan wel niet de klefste vriendinnetjes, maar dat identiek geboortejaar schept toch een band, al was het maar omwille van de herkenbaarheid der dingen. Strenge nonnenscholen, het eerste bakelieten telefoontoestel in de straat, hangen in de jeugdclub, duffelcoats, Zweedse klompen, we hebben aan één woord genoeg, al woonden we tijdens onze prille jaren toch elk onder een andere kerktoren. Het praat en lacht en smoezelt alleszins zeer aangenaam boven een charmant gedekte tafel.
We blijken inderdaad nog min of meer hetzelfde ritme aan te houden. De turbulente tijden als hardwerkende, alleenstaande moeders en de bijhorende kopzorgen hebben we achter de rug, nu is het eerder werken omdat we nog niet echt toe zijn aan kantklossen.
"Maar als je denkt dat ik nu ook elke avond met een coupe champagne lig te relaxen in een bubbelbad, dan heb je het mis," zegt ze.
Dat herken ik. Want zonder het te beseffen zijn we dan weer naadloos in de wereld van de sandwichers gegleden, min of meer geplet tussen twee generaties. Er is al wat gesukkel met de ouders en langs de andere kant zijn er de kinderen die nog regelmatig beroep doen op je diensten. Al moet ik zeggen: mijn kind is echt wel zo eentje van het zelfredzame soort, veel meer dan een second opinion wordt van mij zelden gevraagd. Ik denk dan diep mee na over het in vraag gestelde item, formuleer m'n ongezouten mening en dan doet de dochter alsnog gewoon haar zin. Dat is bij de vriendin wel anders, die heeft twee zelfstandig wonende, maar zeer hongerige zonen.
"Mijn diepvrieskast zit vol instant puree," zegt ze, "ze vallen te pas en te onpas binnen en dan moet ik nog snel iets op tafel toveren."
Maar goed, we redden het, we volgden ooit nog samen een cursus timemanagement en we hebben toen heel goed opgelet. Alles loopt, zij het dan af en toe wel wat chaotisch. Alleen op vlak van de liefde is het al geruime tijd windstil. Niet dat we daar erg vaak van wakker liggen, daarvoor zijn we tenslotte ook veel te moe, aan 't eind van al die volgepropte dagen.
Maar vanavond blijkt dat alleen zijn toch een beetje te knagen, zomaar opeens en bij ons allebei zelfs. Want ook zij heeft pittige tijden achter de rug. Haar vader is er sinds kort niet meer, haar moeder bleef ziek achter. Al was het ondanks alles nog een mooi, intiem afscheid: vader mocht zachtjes inslapen, met moeders hand troostend in de zijne.
"En net dat heeft me zo geraakt," zegt ze, "die verbondenheid, die houvast nog op dat moment van gaan. Die tederheid. Ik ga dat misschien nooit meer kennen."
Ik vertel op mijn beurt van wat ik dan weer zag gebeuren, afgelopen weken. Die toch verrassend sterke band tussen mijn ouders, dwars door brandwerende ziekenhuisdeuren heen.
We praten vlot vijf gangen vol. Van amuse tot nagerecht. Over alleen of niet alleen zijn, welke formule nu het meest garantie geeft op geluk. We hebben natuurlijk al wel één een ander geprobeerd, maar we komen niet tot een pasklaar antwoord. Het komt erop neer dat we vooral weten wat we niet meer willen. De platgetreden paden laten we links liggen, die hebben ons nooit ver gebracht. En we willen ook niet meer als slappe pudding in een foute bakvorm terecht komen. We zijn wie we zijn. En nog zo'n goed voornemen, we verzinnen het hier nog ter plekke: we gaan wat beter onze grenzen bewaken, op alle vlakken, af en toe gaat onze knop op ' niet beschikbaar'.
"Denk je dat wij zo van die veeleisende, zeurige tangwijven geworden zijn? ' vraagt mijn vriendin, we zitten intussen aan het dessert.
Ik zeg dat ik het niet weet. Al wat ik weet is dat, hoe je 't ook draait of keert, liefde toch altijd het centrale thema blijft. Ongeacht het aantal jaren op je teller, ondanks steeds wisselende inzichten.
Altijd en overal toch weer die liefde die zich ergens komt tussen wroeten. Of grote, zelfstandig wonende zonen. Haar jongste belt, hij wou nog snel een hapje komen eten.
"Je hebt een sleutel," zegt ze, "en er zit nog puree in de diepvriezer."
(Dat laatste heet grenzen bewaken.)
Reageer via    






Eunice - 20/02/2022

De dochter en de schoonzoon gaan verbouwen, dus ik meld me geheel vrijwillig als helpende kracht, maar dan wel voor de afdeling waar ik meestal redelijk goed in ben: het communiceren met bevoegde instanties. Concreet, in dit geval, betekent dat uitzoeken voor welke premies het ondernemende duo in aanmerking komt. Dat gaat me toch iets beter af dan, ik zeg maar wat, de metser dienen bijvoorbeeld.
Ik maak een afspraak bij wat ze noemen Het Woonloket, een segment van de stadsdiensten, speciaal in het leven geroepen voor bouwers en verbouwers die, in die wirwar van voorwaarden en regeltjes en afwijkingen en daarbovenop mogelijks nog kleine maar in geen geval te verwaarlozen uitzonderingen, het bos door de bomen niet meer zien. Een mooi initiatief dus.
Ik word ontvangen door een jongeman die ik, buiten de muren van dit gebouw, nooit, maar dan echt nooit, zou linken aan de ambtenarij. Hij lijkt veeleer een scoutsjongen van zwaar kaliber, zo eentje die diep in het donkere woud nog snel met een paar vuurstenen het kampvuur aansteekt, om de kille nacht te weren. Hij draagt zijn lange haren los en toont gespierde kuiten onder een bermuda (we zijn februari!), en er pronken een paar stevige tattoos op de al even stevige armen. Maar ik ben aangenaam verrast, zijn kennis reikt veel verder dan wat vuurke stook. Hij zit trouwens al tien jaar op deze stoel en kent de wetgeving inzake renovatie op z'n duimpje. Hij informeert me aan de hand van een zeer overzichtelijke Power Point presentatie en geeft duidelijke antwoorden op al mijn (en ik kan een lastige zijn!) vragen. Ik ben zeer onder de indruk.
"Je kan nu ook alles online aanvragen, mevrouw," zegt hij, "gaat dat lukken?"
Ik stel hem gerust: dat gaat lukken. Al bij al is dit een grappige situatie: hij oogt in mijn ogen te jong en te boud om zich zo grondig te verdiepen in saaie procedures en omgekeerd denkt hij dan weer dat ik misschien wel te oud ben voor de digitale wereld. Ik probeer zo hups mogelijk recht te wippen van mijn stoel, als ik weer doorga.
Iets gelijkaardigs overkomt me nog diezelfde dag, als ik - op commando van mijn revaliderende moeder- op zoek ga naar bloesjes die moeten voldoen aan een paar strikte voorwaarden: in een zacht stofje, niet de dik en niet te dun, een maatje groter dan gewoonlijk en met een knoopjessluiting vooraan, dat is praktisch bij aan-en uitkleden, gezien haar gebroken schouder.
"En niks met bruin in," zegt mijn moeder nog streng, "dat is een kleur waar ik heel zeker niet mee sta."
Ik beland als bijna vanzelfsprekend in een filiaal van Damart, toch een keten waar je me niet zo snel zal tegen komen. Topkwaliteit, daar niet van, maar ik blijf tot op heden nog altijd een beetje op mijn hoede voor al te behaaglijk flanel. De enige keer dat ik, lang geleden, toch eens met enige terughoudendheid in zo'n winkel binnenstapte was omwille van een trip naar Lapland, waar, eenmaal ter plaatse, thermisch ondergoed absoluut geen zinloze investering bleek! We mochten toen op sneeuwscooters een gigantisch groot bevroren meer oversteken, bij -28! En ik wéét het, als dan op zo'n magisch moment ook nog plots het noorderlicht langs het zenit flitst, moet je eigenlijk uitzinnig van vreugde worden, maar ik was gewoon te verkleumd voor lyrische gedachten. Ik weet alleen nog dat ik zeer blij was toen we eindelijk ter bestemming kwamen en dat ze me toen min of meer hebben moeten reanimeren met een ferme slok whisky. Over het verdere verloop van die avond ga ik dan ook niet schriftelijk uitweiden.
Bij Damart vind ik als bij wonder drie bloesjes die voldoen aan de vereisten van mijn moeders kwaliteitslabel, maar bij de kassa kijkt de verkoopster kritisch.
"Maatje Large, mevrouw," zegt ze, "gaat dat niet te groot zijn?":
Dus ik licht toe: dit is niet voor mij, ik handel in opdracht.
Maar toch, het prikt weer even, want het hipste lijkt er nu wel vanaf, blijkbaar zou ik hier ook al kunnen doorgaan voor iemand van het vaste cliënteel…
Een paar dagen later wordt Eunice met veel bombarie aangekondigd: een storm van formaat, men voorspelt codes oranje en rood. Of, om het met de voorzichtige woorden van Frank Deboosere te zeggen: heel misschien wel code donkeroranje. Nooit een man van excessen geweest, die Frank.
"De laatste keer dat ze dergelijke windstoten noteerden was dertig jaar geleden," zegt één van onze jongens op kantoor. Een nieuwe collega, een prille twintiger, we kennen mekaar nog niet zo lang.
Ik zeg dat ik me dat eigenlijk niet meer kan herinneren, zo'n zware storm destijds.
"Misschien was je daarvoor nog wat te jong toen," zegt hij.
Kijk, dat dus. Dat soort van terloopse uitspraken die een mens toch weer, tegen beter weten in, de rug doen strekken. De gedachte dat er af en toe iemand in de waan zou zijn dat je nog piep was in de jaren negentig.
Ik knik onverschillig, zwijg in alle talen en hups even later gezwind naar buiten.
Nog eens recht de storm in.



Reageer via    






Oorlog - 05/03/2022

Ik ben altijd een beetje op mijn hoede voor overdaad. Het lijkt me namelijk zeer moeilijk om je geluk nog duidelijk te definiëren als je van alles veel te veel hebt. Want waar moet je dan nog oprecht blij van worden? Van die berg geld op de bank? Of van een collectie dure wijnen in de kelder? Of toch maar gewoon van de lentezon op je snoet? Te veel zegeningen op je teller leiden volgens mij alleen maar tot keuzestress. En, ook niet te onderschatten, vaak is er dan ook nog de angst om alles vroeg of laat weer kwijt te spelen.
Een milde versie van keuzestress overvalt me als ik naar het menu sta te kijken in een hippe pastabar, die de inspirerende naam 'Nomnom' meekreeg. Het soort van etablissement waar ik niet zo vaak passeer, pasta heeft namelijk de neiging om zich rechtstreeks en levenslang vast te kleven aan mijn dijen. Maar ik werk nog eens op een andere locatie en ik laat me overhalen door een enthousiaste collega. Ze licht me ook ter plaatse toe wat de opties zijn, want mij duizelt het voor de ogen.
Je kan gaan voor small, medium en large en vervolgens heb je de keuze uit maar liefst vijf soorten pasta. Die mag je dan weer combineren met je favoriete saus en voor alles is er ook nog een vegetarisch of vegan alternatief. Als kers op de taart is er nog een overvloedig aanbod van toppings, je mag er telkens twee kiezen voor de prijs van één: olijven, kerstomaatjes, pijnboompitten, de lijst is zelfs diagonaal niet in één ruk te lezen tijdens een gemiddelde middagpauze. Ik bestel uiteindelijk maar iets kleins, een simpele pasta penne met carbonara. De dame achter de toog schept alles keurig in een kartonnen meeneemdoosje.
"En welke toppings?" vraagt ze.
"Doe maar een beetje Parmezaan," zeg ik.
"Je mag er twee kiezen," dringt ze nog aan. Met een blik alsof ze toch wat twijfelt aan mijn verstandelijke vermogens.
Ik heb het er die avond over met een verre vriendin, we zijn dikwijls allebei op een wat langere weg naar huis en dan bellen we elkaar wel eens halverwege. Het verontrust ons hoe we ons toch nog altijd laten entertainen met futiliteiten, met sausjes en frulletjes en glutenvrije dingetjes, terwijl de wereld bij wijze van spreken in brand staat. We hebben net een pandemie achter de rug en meteen al 's anderendaags werden we gewekt met de melding dat Poetin dan toch maar besloten had zijn oorlog te beginnen, zomaar opeens, voor dag en dauw. Je vraagt je dan toch af: wat bezielt zo'n man op zo'n goddeloos vroeg uur? En heeft die daar dan ook zelf ook z'n wekker voor gezet?
"En wij blijven intussen gewoon doordraaien, als argeloze hamstertjes in het rad," stellen we vast.
Maar ja, wat moet je anders? Want je kan natuurlijk al je activiteiten stopzetten en bang onder een dekentje afwachten, verlamd van angst, maar daar los je niks mee op. En die mevrouw van de pastabar wil tenslotte ook maar haar dagelijks brood blijven verdienen.
Of je kan luid en duidelijk je mening ventileren en eens een hartig woordje placeren op sociale media bijvoorbeeld. Maar ik betwijfel of dat dan ook door de juiste, betrokken personen wordt gelezen. Bovendien ben je voor een ijzersterke, politieke mening bij mij echt niet aan het juiste adres. Mijn kennis inzake is beperkt, ik was degene die voor alle zekerheid nog even is gaan checken waar Oekraïne nu ook weer precies ligt. Dus formuleer twee stevige tegenargumenten en je blaast me zo omver.
En er zijn natuurlijk nog wel wat oorlogen gepasseerd afgelopen decennia, maar nooit nog zo dicht bij huis, daarvoor moeten we al meer dan 70 jaar terug in de tijd. Wat staan roepen over de toestand in Afghanistan was toch nét iets makkelijker. Maar nu is het niet langer de ver van ons bed show. Het doet me denken aan het gevoel van dreiging tijdens de Koude Oorlog. Diezelfde machteloosheid. Die toen toch immer latent aanwezig angst dat De Bom elk moment kon gedropt worden. Ik moet het even uitleggen aan m'n vriendin, want zij is van een volgende generatie.
Ik lees die avond nog ergens een artikel over Poetin, over wat er mogelijk kan schuilen achter zoveel terreur. Veel hebzucht natuurlijk, maar even goed: de drang naar onsterfelijkheid. De man wordt dit jaar 70 en wil wellicht nog snel geschiedenis schrijven. Terwijl hij al zoveel heeft: macht, geld, vermoedelijk ook wel wat gewillige mensen in de buurt, en een uitzonderlijk grote tafel, dat heb ik zelf gezien op de beelden van wanneer hij onderhandelt met andere wereldleiders. Een tafel van een dergelijk formaat, daar moet je gewoon een gigantisch paleis omheen bouwen, die raak je echt niet zomaar kwijt in een gewoon rijhuis.
Dus misschien is dit ook wel een geval van keuzestress. Hij weet niet meer waar het geluk nog te grijpen. Maar dan moet iemand de man toch eens gaan vertellen dat hij al die moeite niet moet doen. Dat een memorabele bladzijde in de geschiedenis niet noodzakelijk zwart moet zijn. Dat we hem ook heel zeker blijvend en met veel sympathie zullen gedenken als hij nu meteen stopt met deze waanzin. Dat hij beter eens een middagje op het zuid gericht terras van zijn paleis kan gaan zitten, met z'n kop in 't zonneke, het is nu vast ook bijna lente in Rusland.
En dan eens kijken wat dat geeft, Vladimir?



Reageer via    






Dingetjes - 13/03/2022

Regelmatig je gedachtekronkels in de wereld gooien, dat blijft natuurlijk niet zonder gevolgen. Je krijgt hoe dan ook reacties en lang niet altijd van een schare enthousiaste fans. Kritiek zit namelijk ook mee in het pretpakket. Maar dat geldt uiteindelijk voor alles wat een mens doet of laat, want wat je ook onderneemt, het zal nooit helemaal goed zijn voor iedereen. Zelfs Moeder Theresa, toch hét boegbeeld van barmhartigheid, krijgt postuum nog af en toe een veeg uit de pan. Er volgt dus nog eens (en waarschijnlijk bedoeld als opbouwende) kritiek op m'n laatste blog, die over de oorlog, waarin ik me afvraag wat zo'n man als Poetin in godsnaam bezielt om al voor dag en dauw een stuk van de wereld in brand te steken. Waarop een lezer al snel zijn eerlijke mening geeft: dit was niet je beste proza, blijf bij je sterke dingetjes, the daily life. Een beetje een rare opmerking vind ik, want uiteindelijk komt die Poetin zich toch maar fijntjes bemoeien met mijn daily life, intussen bepaalt hij zelfs al mee de nieuwe prijs van mijn dagelijks brood, heb ik begrepen. De man komt dus echt wel dichter in mijn buurt dan je zo op 't eerste zicht zou denken. Maar het is vooral dat verkleinwoord dat blijft hangen: dingetjes. Heel even siddert er zo'n ga-jij -maar -snel- terug- achter-je -fornuisje gevoel door m'n lijf, maar mensen die mij beter kennen houden dan waarschijnlijk hun hart al vast, in de keuken komen niet meteen m'n beste kwaliteiten naar boven. Bovendien wil ik er niet te zwaar aan tillen, we leven tenslotte steeds meer in een wereld van verkleinwoordjes. We gaan een weekendje naar 't zeetje en we doen daar een terrasje, om maar eens iets te noemen. Op het werk kreeg ik vorige week een koffietje met een schuimpje. Alles wat kleiner en korter kan benoemd worden moet eraan geloven. Alsjeblieft wordt asje, als je van iemand afscheid neemt roep je snel doedoeg, we volgen feilloos de wet van de minste inspanning, soms tot op het kinderachtige af. Ik belde laatst met een HR Manager, 1.90m groot en schoenmaat 47, ik ken de man al langer, en die sloot ons gesprek af met 'dada'. Ik moet zeggen, daar werd ik toch even heel stil van. Het is trouwens ook maar wat je onder dingetjes verstaat. Want ja, meestal heb ik het over dat gewone, dagdagelijkse lief en leed. Over groot en klein geluk, soms ook over pijn en verdriet en dierbare herinneringen. Over die kleine dingetjes die allemaal samen het leven dan toch weer onmeetbaar groots kunnen maken. Dus ik schrijf voorlopig maar voorzichtig verder en ik zie wel wie of wat mijn pad nog kruist. Poetin stond hoe dan ook niet meer zo hoogdringend op de planning, ik hoop namelijk dat er snel andere wereldleiders in de kijker komen te staan. Mensen met het hart op de juiste plaats dan, als het even kan. Alleen die beuzelachtige verkleinwoordjes, daar wil ik me blijven voor hoeden. Tenzij misschien bij de volgende afrekening van Fluvius. Ik hoopt dat ik dan alsnog even gewag kan maken van een piepklein factuurtje. En ook dat we misschien al heel snel kunnen zeggen: doedoeg, Vlad.

Reageer via    






Vulcan - 24/03/2022

Er wordt nog eens wat gemorreld aan mijn jobinhoud. Niet dat me een volledige ommezwaai wacht, ik mag m'n huidige bezigheden gewoon verderzetten, maar dan wel in combinatie met een nieuw takenpakket. Daar hoort zelfs een nieuw titeltje bij: SPOC.
"Was dat niet niet die zure kwiet van Star Trek," vraagt de dochter, "die met z'n puntige oren?"
Maar nee, tot nader order moet ik niet inschepen op Starship Enterprise en ik merk ook niks raars aan m'n oren. Bovendien is het niet Spock, maar SPOC: Single Point Of Contact. In gewone mensentaal: het centrale aanspreekpunt voor een multisite klant, zo'n klinkende naam met vestigingen op diverse locaties.
"Komt er dus op neer dat ze vanuit alle hoeken van 't land vooral jou gaan ambeteren," besluit de dochter, "je wordt de smurf van dienst. Proficiat."
Om maar even te schetsen: veel indruk maak ik niet met een nieuw businesskaartje, hier op het thuisfront.
Ik haal die kaartjes trouwens nog zelden boven, de ronkende titel dekt lang niet altijd de lading en dikwijls ben je eerst nog een half uur bezig met toe te lichten wat die lading dan wél precies inhoudt. Neem nu mijn laatste functietitel: Mobile Consultant.
"Dus jij verkoopt gsm-toestellen?" vroeg me eens een potentiële klant.
Of er was nog een tijd dat ik werkte voor een Nederlandse organisatie, ASB Interim. Zeker aan de telefoon moest ik dat laatste altijd heel duidelijk benoemen, men dacht wel eens dat ik remsystemen aan de man bracht.
Maar nu dus, 2022: lid van het Mobile Team.
Klinkt urgenter dan het is en gelukkig kennen we binnen onze organisatie een vlakke structuur, want bij schematische weergave van het organigram bungel ik ergens onderaan. Misschien met een senior vermelding die nog vergoelijkend verwijst naar veronderstelde kennis en ervaring, maar even goed.
Het grappige is, mijn carrière startte lang geleden vanuit min of meer dezelfde insteek. Als jong veulen werkte ik met tijdelijke contracten in een ziekenhuis en mocht ik afwezige collega's vervangen, op alle mogelijke afdelingen. Let wel, enkel op administratief vlak, ik word al lichtjes onpasselijk als ik een pleistertje op een geschaafde knie moet plakken. Maar dus toen al: alsmaar van de ene stoel naar de andere. Alleen noemden ze dat toen heel simpel "de vliegende ploeg."
In zekere zin kan ik dus stellen dat de cirkel bijna rond is: ik begon en eindig op dezelfde wijze, als een soort rondreizende doubleur voor het voltallige theatergezelschap, altijd paraat om een rol naar best vermogen over te nemen. Maar zonder twijfel nog elke dag met veel plezier. Al wat tussendoor kwam, op vaste locaties, was heel zeker ook de moeite, maar kende toch ook de nodige functiewijzigingen. Soms in rechte lijn omhoog, maar met voortschrijdend inzicht ook wel eens heel bewust in horizontale richting. Of zelfs gewoon met zwier een trapje naar beneden, hoger en méér is niet altijd beter.
Met ook op dit parcours passeerde een rij van titels die gaandeweg ook steeds meer Engels begonnen te klinken, alsof ik van op een stoel in de stille Kempen toch nog elk moment internationaal gelanceerd kon worden. Van gewone Kantoorverantwoordelijke werd ik zomaar gebombardeerd tot Office Manager, wat later dan weer een Branch Manager bleek te heten. Ik werd achtereenvolgens consulente, recruiter en consultant genoemd. Terwijl ik in grote lijnen toch altijd maar dezelfde dingen bleef doen. En dat dan ook altijd maar weer moest toelichten aan de buitenwereld: het heet nu wel anders, maar je kan me nog altijd rechtstreeks bellen, ik neem nog steeds zelf de telefoon op.
Thuis heb ik nog al mijn agenda's bewaard, helaas zijn die dingen intussen ook al digitaal. Maar af en toe blader ik nog eens door die papieren exemplaren. Zo kwam ik laatst nog ergens op een vergeelde pagina van een lentedag anno 1998 terecht, waar ik een afspraak had genoteerd bij een destijds zeer belangrijke klant in de Kempen, een fabrikant van radiatoren. Ik had er, samen met een collega, een afspraak met de CEO. Alleen had ik de man nog heel simpel met voornaam vermeld, ik weet trouwens niet zeker of we toen al zo vertrouwd waren met de CEO' s en CFO' s van deze wereld. Toen kon je aan de receptie nog gewoon vragen naar 'de baas'. In mijn agenda had ik dan ook keurig genoteerd:
11.00 AM- afspraak met Louis stoof.
Maar nu mag ik me dus nog eens gaan verdiepen in iets nieuws. Een tikkeltje spannend, want de stoel van een SPOC, dat is echt iets nieuws, daar heb ik nog nooit op gezeten. En de dochter heeft gelijk, het klinkt inderdaad een beetje buitenaards. Dus, als het haar enigszins gerust kan stellen: moeder gaat er tegenaan, wat vrolijker dan die Vulcan hoop ik, maar heel zeker ook met gespitste oren.


Reageer via    






Louise en Virginie - 31/03/2022

Later lijkt steeds dichterbij te komen. Een gedachte waar ik niet echt blij van word. Vroeger was later een hoofdstuk dat zich in de verre, verre toekomst zou afspelen. En op weg daarheen kon en mocht alles nog gebeuren en het zou op z'n minst allemaal de moeite waard zijn. Denken aan later was niet meer dan intussen nieuwsgierig doorheen de dagen denderen, in de stellige overtuiging dat het beste nog moest komen. Strakke plannen heb ik zelden gemaakt, meestal rolde ik eerder per ongeluk in de dingen.
Nu, dat is allemaal redelijk meegevallen, ik bleef gespaard van al te grote mokerslagen en uit wat dan toch fout liep heb ik op z'n minst iets geleerd. Ik omhels dus nog elke nieuwe dag. Maar de laatste tijd iets minder uitbundig dan gewoonlijk. Minder impulsief ook. 'Wat als' is een gedachte die steeds vaker door m'n hoofd schiet. Het zijn zo van die momenten dat ik toch eens ga uitpluizen hoe dat nu juist zit met mijn groepsverzekering. Of dat ik wel enthousiast een ticket voor Rock Zottegem (dEUS komt!) bestel, maar mét 6 euro extra toeslag voor mogelijke annulering. Je weet maar nooit. Alsof vanaf nu achter elk hoekje mogelijk onheil ligt te loeren.
Eén en ander heeft natuurlijk te maken met de revalidatie van mijn moeder en haar verblijf in een rustoord. Een tijdelijk verblijf weliswaar, we gaan er voorzichtig van uit dat ze binnen een paar weken weer gewoon naar huis mag, maar toch, zo'n gebouw vol oude, geknakte mensen, het blijft confronterend. Mij leek zo'n bejaardentehuis altijd een plaats waar je laatste wensen en verzuchtingen nog snel vakkundig en vooral definitief de kop worden ingedrukt. Je wil er niet aan denken!
Maar kijk, misschien moet ik maar weer eens m'n mening herzien, voor de zoveelste keer. Want ik wip er nu dagelijks even binnen en stel gaandeweg vast dat ook daar, in de gangen van wat we meestal toch beschouwen als het voorgeborchte van, dat leven nog gewoon doorgaat, in al zijn facetten. Ook daar kennen de dagen nog een ingewikkeld kluwen van emoties: vriendschap, ergernis, boosheid, spijt, liefde, mededogen, hoop, alles zit nog ragfijn in eenzelfde web verweven. Een soort van microkosmos, oorlog en vrede op kleinschalig terrein, maar bij wijlen even heftig als in de grote wereld daarbuiten.
Zo heeft mijn moeder er opeens nog een nieuwe hartsvriendin bij, Louise. 94 is ze, maar nog flink bij de pinken en al even fier als mijn moeder. Ze laten zich samen, als echte dames, naar de kapper rollen en bespreken hun dagelijkse besognes bij een kopje thee. Ze overlopen gang van zaken en snoepen giechelend van de pralines die zich dankzij de gulle bezoekers opgestapeld hebben in het koelkastje op mijn moeders kamer.
"Wij zijn ook nog goed mee hé," zegt mijn moeder, "en wij trekken tenminste nog eens een wit bloesje aan." En Louise stapt achter haar rollator op hippe sneakers, dat is nu helemaal in de mode, weet ze. Haar kleindochter is de directe link naar de webshop, vandaar.
Ze kijken ook samen naar het journaal en Terzake, kwestie van op de hoogte te blijven.
"Er zijn hier menskes die niet eens weten dat het oorlog is in Oekraïne," zegt mijn moeder hoofdschuddend. Dus zij kijkt en informeert, en ik kan me daar wel iets bij voorstellen. Als er ooit moet gevlucht worden zullen ze daar op de afdeling haarfijn weten waarom.
Haar eigen kijk op de wereld wordt hier zelfs nog wat breder. Een aantal van de zorgverstrekkers zijn van allochtone origine: een Chileense kinesiste, een Roemeense verpleegster, een Italiaanse poetshulp. Allemaal zeer bekwame mensen, benadrukt ze, alsof ik dat zou durven te betwijfelen.
"En af en toe komt er ook een grote zwarte neger gezellig een praatje maken, hier op de kamer, een hele lieve jongen," vertelt ze nog.
Ik zeg mama! Dat woord mag je niet meer gebruiken! Maar ik vrees dat je op de gezegende leeftijd van 88 geen boodschap meer hebt aan al dat woke geruis.
"Het is écht een lieve jongen," herhaalt ze, zich van geen kwaad bewust.
Er spelen zich ook wel onderlinge intriges af, bij momenten. Zo woedde er laatst een hevige strijd om een welbepaalde zitplaats in de eetzaal, want niemand wou aanschuiven in dat tochtig hoekje. Het zorgde voor de nodige roddels achter de schermen.
Zelfs de liefde komt nog aan bod. Als ik mijn moeder complimenteer met haar wit bloesje vindt ze dat het toch een ietsje te veel decolleté heeft.
"Ik moet een beetje voorzichtig zijn," zegt ze, "hier loopt ene rond die z'n ogen niet in z'n zakken heeft. Maar ik heb het hem eens ferm gezegd: ik ben bij onze Fons en ik blijf bij onze Fons."
Onze Fons gaat trouwens een paar keer per week langs bij zijn Virginie. Traag en voorzichtig duwt hij zijn rollator dat hele eind, maar het valt hem al bij al wel mee, hij kan naar haar toe op eigen kracht en zo blijven hun touwtjes nog stevig verbonden.
Al is hij wel wat misnoegd over de locatie van het rustoord. Want ze bouwen zo'n ding dan wel aan de rand van het centrum, in een oase van rust en groen, maar dat vindt hij maar niks. Hij zou z'n laatste jaren toch liefst doorbrengen midden in het gedruis van Scherpenheuvel, mensen kijken is nog altijd boeiender dan uitzicht hebben op een paar onverschillige koeien. Al denk ik dat die voorkeur voornamelijk te maken heeft met de bereikbaarheid van zijn stamcafé. Bovendien is het nét iets te ver stappen voor bezoekers die slecht te been zijn, vindt hij. Er mag onderweg wel eens een bankje geplaatst worden, hier en daar een kleine rustplaats, die infrastructuur kan beslist beter.
"Misschien moet je dat eens tegen de burgemeester zeggen," oppert hij.
Mijn vader denkt namelijk dat ik connecties heb op elk niveau. En vooral: dat die mensen ook allemaal braaf naar mij luisteren.




Reageer via